Pius Mosima

The challenges of Anthropocentrism: some philosophical perspectives from Africa

Inleiding

Zijn mensen echt superieur aan het leven op aarde en blijven we domineren? Wij - mensen - hebben de neiging onszelf in het centrum van het universum te plaatsen en ons te gedragen als superieur aan de natuur, planten, dieren en dingen. Maar stuurt de natuur ons met de coronaviruspandemie en de aanhoudende klimaatcrises niet een duidelijke boodschap? En wat betekent dit alles voor onze globaliserende, interculturele wereld van tegenwoordig? Er zijn belangrijke Afrikaanse waarden die kunnen bijdragen aan het beantwoorden van deze vragen, ons discours over de uitdaging van het antropocentrisme verrijken en ons helpen ons te richten op de natuur, technologie, objecten en intelligente systemen.

Antropocentrisme als grote filosofische uitdaging

De manier waarop filosofen naar de natuur hebben gekeken vormt de kern van het misbruik ervan. De diepgewortelde traditionele wereldbeelden, die mannen ten opzichte van vrouwen en mensen ten opzichte van het milieu hebben bevoorrecht, maken het moeilijk duidelijk de huidige uitdagingen te zien die de verwaarlozing van deze kwesties met zich meebrengt. Antropocentrisme is de filosofische opvatting dat de mens de centrale of belangrijkste entiteit in de wereld is. De meeste traditionele westerse ethische perspectieven zijn antropocentrisch (mensgericht). Zij kennen een aanzienlijk grotere intrinsieke waarde toe aan de mens dan aan niet-menselijke zaken, zodat de bescherming of bevordering van menselijke belangen of welzijn ten koste van niet-menselijke zaken bijna altijd gerechtvaardigd is. Deze opvatting kwam naar voren bij Verlichtingsdenkers als Francis Bacon, René Descartes en Immanuel Kant. Dit geloof vinden we ook terug in veel westerse religies (1). Het antropocentrisme beschouwt de mens als gescheiden van en superieur aan de natuur en stelt dat het menselijk leven een intrinsieke waarde heeft, terwijl andere entiteiten (waaronder dieren, planten, mineralen, enz.) hulpbronnen zijn die terecht ten voordele van de mensheid kunnen worden uitgebuit. In feite beweert Descartes in zijn Verhandeling over de methode dat de wetenschap ons tot meester en bezitter van de natuur kan maken. De komst van de milieufilosofie in de jaren zeventig van de vorige eeuw zette serieuze vraagtekens bij de traditionele westerse houding ten opzichte van de niet-menselijke wereld. Val Plumwood (2003), bijvoorbeeld, spreekt van "meer-dan-menselijke natuur" in plaats van "niet-menselijke natuur", in een poging tegenstand te bieden aan het "op de achtergrond plaatsen" van het humanistisch centrisme, en het op de voorgrond plaatsen van het "meer-dan-menselijke", hetgeen leidt tot het zien van de mens als slechts één van de entiteiten die de aarde bevolken (Plumwood 2003:61). Verder hebben milieu-ethici de mensgerichte benadering in twijfel getrokken door zich af te vragen of de mens wel als superieur aan andere levende wezens moet worden beschouwd, en ze hebben ook gesuggereerd dat de natuurlijke omgeving een intrinsieke waarde zou kunnen hebben, onafhankelijk van het nut ervan voor de mensheid (Roothaan 2019).

(1) Zie bijvoorbeeld het boek Genesis in de Bijbel, waarin de mens naar het beeld en de gelijkenis van God is geschapen en wordt opgedragen "heen te gaan en zich te vermenigvuldigen", de aarde te onderwerpen en "heerschappij te hebben over alle levende wezens".

Pius Mosima

Het Afrikaanse antwoord op het antropocentrisme: een onderling verbonden “levensweb”.

De prekoloniale Afrikaanse metafysische visie kan worden omschreven als eco-bio-communautair (Tangwa 1996:192), duidend op de erkenning en aanvaarding van de onderlinge afhankelijkheid en het vreedzaam naast elkaar bestaan van aarde, planten, dieren en mensen. Met het begrip “vitale kracht” verklaart Tempels de onderlinge verbondenheid van natuurlijke entiteiten als reden om de natuur met respect te behandelen. Dit begrip is gebaseerd op het idee dat er een kracht is die van God overgaat op sub-goden en op geesten, van voorouders naar de mens en alle andere natuurlijke wezens. De Afrikaanse ontologie wordt uitgelegd op basis van deze kracht, die de verbinding vormt tussen alle natuurlijke wezens onderling. Het verklaart ook de diepe spiritualiteit, de religieuze visie, de ethiek en de psychologie van de Afrikanen. Ze zijn vaak kosmisch bescheidener en hebben dus niet alleen meer respect voor andere mensen, maar zijn ook behoedzamer in hun houding ten opzichte van planten, dieren en levenloze dingen, en ten opzichte van de verschillende anorganische krachten in de wereld. Het verschil tussen planten, dieren en anorganische dingen, tussen het heilige en het profane, materie en geest, het gemeenschappelijke en het individuele, is klein en flexibel. Dit verklaart waarschijnlijk waarom de mens onder bepaalde omstandigheden kan transformeren in dieren en planten of in krachten, zoals de wind. Dit komt omdat de mens binnen de natuurlijke gemeenschap leeft en actief deelneemt aan de onderlinge relatie van

krachten en wezens die van God (de oorsprong van de vitale kracht), via de mens (inclusief de dode voorouders en de levende gemeenschap van de mens), naar de dierlijke en levenloze wereld afdalen. De vitale kracht kan worden gevoed, verminderd of geheel worden gestopt. Ze neemt toe of af in elk wezen en van de ene overgang naar de andere. Met deze interacties tussen krachten zijn wezens niet aan zichzelf gebonden, maar vormen ze wat Tempels een “activiteitsprincipe” noemt (Tempels 1959: 51) en zijn ze door hun interactie verantwoordelijk voor de ‘algemene wetten van vitale causaliteit’. Onder het Bakweri-volk van Kameroen bestaat het geloof in Epasa Moto, de god van de Berg van Kameroen, die half-mens half-steen is. Zijn vrouw, Liengu, is een zeemeermin die, na overeenkomst daarover met haar man, in de Atlantische Oceaan leeft. De Bakweri geloven dat ze hen beschermen tegen zowel het land als de zee en dus de veelvuldige offers verdienen die het hele jaar door aan deze goden worden aangeboden. Daarnaast hebben de Bakweri deMaale (Olifantendans), waarbij leden van een geheim genootschap dansen en elk een olifant als tegenhanger hebben. Dit voorbeeld toont de plaats van de natuur in mijn maatschappij. Mensen voelen zich niet speciaal bevoorrecht of denken dat ze een door God gegeven recht hebben om de rest van de natuur te domineren, te onderdrukken of uit te buiten, zoals het westerse antropocentrisme insinueert. De natuur wordt benaderd vanuit een perspectief van verzoening en vreedzaam samenleven. Dit is af te leiden uit de veelvuldige offers aan de God van onze voorouders, de krachten van de natuur en aan de goddelijke geesten voor zegening, vruchtbaarheid van het land en de mensen. Het is een leven van leven en laten leven (Tangwa 2004). Deze Afrikaanse achtergrond is alleen verenigbaar met een behoedzaam en fragmentarisch gebruik van technologie.

Conclusie

De Afrikanen zijn er dus van oudsher van overtuigd dat alle dingen in de kosmos met elkaar verbonden zijn. Alle natuurkrachten zijn van elkaar afhankelijk, zodat de mens alleen in en met de hele natuur in harmonie kan leven. Dat maakt een gemeenschap tot een ware Afrikaanse gemeenschap. Er rust op hen de plicht verantwoording af te leggen over hun soort en de morele verplichting om de biodiversiteit voor de komende generaties in stand te houden. Als deze manier van leven in onze tijd zou kunnen worden geherwaardeerd, zouden we het bestaan van noch het leven, noch het universum zelf in gevaar brengen.

Verwijzingen

Plumwood, V., 2003, “Decolonizing Relationships with Nature”, in W.A. Adams and M.Milligan (eds.) Decolonizing Nature. Strategies for Conservation in a Postcolonial Era. London and Sterling, V A: Earthscan Publications Ltd., pp.51-78.

Roothaan, A., 2019, Indigenous, Modern and Postcolonial Relations to Nature: Negotiating the Environment, London and New York: Routledge.

Tangwa, G., 2004, Some African reflections on biomedical and environmental ethics, in: K.Wiredu, (ed) A Companion to African Philosophy, Malden: Blackwell.

Tangwa, G., 1996, “Bioethics: An African Perspective”, Bioethics, 10(3):183-200.

Tempels, P., 1959, Bantu Philosophy, Paris: Présence Africaine. First published as Tempels, P., 1955, Bantoe-filosofie, Antwerp: De Sikkel.

Over Pius Mosima

Pius Mosima Ted van Aanholt

Pius Mosima is een filosoof uit Kameroen. Hij houdt zich bezig met Afrikaanse en Interculturele filosofie, globalisatie, tradities, politiek en bestuur, de burgermaatschappij, gender studies, cultuur en identiteit. Op dit moment onderzoekt hij wat de (westerse) wereld van Afrikaanse wijsheden kan leren.

Datum
& Tijd

  • 3 apr.
    Hele dag